Monday, June 16, 2008

 
Posted by Picasa Suikermolen in Brazilie omsteeks 1640.
Tekening door Frans Post.

Monday, June 20, 2005

 

JOHAN STACHOUWER

_______________________________
Inleiding:
In het artikel ‘Voormalige Hofsteden in de Bouwvenen’ komt voor de ’Stachouwer Hofstede’ en de eigenaar Johan Stachouwer. Als aanvulling een aantal wederwaardigheden over de zeventiende-eeuwse familie Stachouwer.
--------------------------------------
Johan huwde in 1623 SYBRICH APPELMAN, dochter van Sybrand Appelman en Trijntje Coppit of Cappit. Wellicht komt de naam Capittenweg vamn deze familie Cappit, die in die buurt een hofstede hadden. Sybrich overleed al in 1638, Johan trouwde voor de tweede keer met CATHARINA VAN HOORN in 1650.
Uit het eerste huwelijk werden - na jonggestorven kinderen - nog geboren: Trijntje, Catharina, Sijbrand, Geertruyt en Sijbranda.
Uit het tweede huwelijk: WILLEM, stamvader van de Borkumertak. Van deze tak leven nog nakomelingen. Velen wonen in Borkum, een Duits eiland in de Waddenzee. De tweede zoon uit dit huwelijk was JOHAN, de stamvader van de Heren van Schiermonnikoog. Deze tak is ook niet uitgestorven.
JOHAN STACHOUWER, Heer van Rijsbergen, Sint Anna in Brazilië, was een vermogend man. In 1626 bezat hij al 'zekere huysinge, landen en boomgaart omtrent het dorp Blaricum', deels geërfd van zijn vader, deels gekocht. In 1631 koopt hij het Slot Ruysdael.
In 1640 koopt hij de Heerlijkheid Schiermonnikoog, met zeerecht, de impositiën, de civiele en ciminele justitie, van Pieter Houckama voor 18.366 gulden. de Staten van Friesalnd helden de soevereiniteit. Ook had hij een hofstede Rijkeroord in Weesp. Bovendien bezat hij aandelen in Brazilië voor 180.000 gulden, verdiend in de suikerplantages, die veroverd waren op de Portugezen. Dus uit slavenarbeid. En in Blaricum nog een hofstede, waar nu de Bouwvenen liggen.
JOHAN STACHOUWER overleed in Schiermonnikoog op 2 augustus 1655, en werd begraven in de Hervormde kerk te Blaricum.
--------------------------------------
Mededelingenblad Historische Kring Blaricum - 1995 - nov.- nr. 22
G. Adema
--------------------------------

Jacob en Johan Stachouwer eigenaren van slavenplantages in Brazilië
In 1624 veroverde de W.I.C. op de Portugezen een deel van Brazilië. Dit district Pernambuco was het meest welvarende suikerproducerende gebied. De arbeidskrachten op de suikerrietplantages bestonden uit negerslaven. De met maalderijen uitgeruste slavenplantages werden "engenhos" genoemd en hun eigenaren "moradores" of "senhor de engenho".
Een suikerplantage met bijbehorende suikermolen was een kostbare investering, met de oprichting waarvan een groot bedrag gemoeid was. De "senhor de engenho" moest een aanzienlijke hoeveelheid zware machinerie aanschaffen, nog afgezien van het feit, dat hij voor de eigenlijke fabricage een aantal geschoolde krachten en slaven in dienst moest nemen. Hij had minstens veertig tot vijftig sterke negers, een dozijn karren en twintig spannen ossen nodig, maar grotere plantages beschikten over honderden slaven en overeenkomstig grotere aantallen ander personeel. De opzet van een dergelijke plantage, waarvan wij dank zij de schilderijen van Frans Post ook nu nog een goed beeld kunnen vormen, bestond, verder nog uit het "casa grande" of het ":grote huis", het woonhuis van de planter en zijn gezin, de "senzala" of slavenverblijf, en de huiskapel.
Tijdens de Nederlandse bezetting bleven veel "moradores" op hun plantages. Een aantal; van hen ontvluchtten het Nederlands bewind. De verlaten suikermolens werden door de W.I.C. verkocht aan Nederlanders, waaronder Jacob Stachouwer. Ook zijn broer Johan Stachouwer bezat in Brazilië een "engenho" in Sint Anna van 124.000 gulden en één in Degelyettes (=Iseliettes) van 27.000 gulden. Zijn totale bezittingen in Brazilië werden geschat op 180.000 gulden.

Jacob Stachouwer woonde zelf van 1634 tot 1638 in de nieuwe Nederlandse slavenkolonie. Hij was daar zelfs lid van de Politieke Raad, die het gebied bestuurde. Jacob maakte verschillende malen misbruik van zijn functie. In 1635 werden een aantal gevluchte moradores door Staatse soldaten gevangen genomen. Voor hun vrijlating werd hoog losgeld betaald dat onder de soldaten verdeeld moest worden. Volgens de Staatse commandant Arciszewski verdeelde Stachouwer dit geld tussen zichzelf en zijn vrienden. Ook zou Stachouwer de verborgen schatten van de rijke Portugese Jood Pataleäo Monteiro hebben verduisterd. De secretaris van Stachouwer zou daarbij behulpzaam zijn geweest. Dank zij de samenwerking tussen Joâo Fernades Vieira en Stachouwer maakten dit tweetal snel fortuin. Lang heeft Jacob niet van zijn geld kunnen genieten, hij stierf in Nederland in 1648. Johan stierf in 1655, dat was een jaar nadat de Nederlanders uit Brazilië verjaagd waren. De erfgenamen van de meeste slavenhouders werden in 1692 schadeloos gesteld, dus waarschijnlijk ook de kinderen van Jacob en Johan.
---------------------------------------------
Tekening van een oude kaart van Brazilië:
Gedeelte uit een oude kaart van Zuid-Amerika.
----------------------------------------------
Literatuur en bronnen:
* "De Nederlanders in Brazilië 1624-1654" door Charles R. Boxer
(oorspronkelijke uitgave in 1957 in het Engels - Nederlands 1977
* "Nederlandse expansie in Latijns Amerika" door DR. C.M. Schulten 1968
* "Slavenhandel. Het Nederlandse aandeel in de slavenhandel" A. van Danzig - 1968
* "Hollandse Pioniers in Brazilië" door Harald S. van der Straaten. Uitg.Van Wijnen - Franeker. cop. 1988. Vertaling van : "Brasil; a destiny; Dutch contacts through the ages" - 1984
* De Braziliaanse affaire - Portugal, de Republiek der Ver. Ned. en Noord-Oost Brazilie -
door Evaldo Cabral Mello 1998 - vertaling Catherine Barel
____________________________________________________
Mededelingenblad Hist. Kring Blaricum - 1995 - nov. Nr. 22
(Hist. Kring Blaricum, Tijdschrift 'DeelGenoot' )

F.J.J. de Gooijer
----------------------------------
Internet artikelen:
Nederlands Brazilie

Internet afbeeldingen:

WIC huurlingen in Nederlands Brazilie

Braziliaanse schilderijen van Eckhout
___________________________________________________
Reactie van lezers:
NOG EENS JOHAN STACHOUWER
In het Mededelingenblad van de Historische Kring Blaricum (nr. 22, november 1995) stelt G. Adema de vraag :"Wie was Johan Stachouwer?" Het antwoord volgt in hetzelfde nummer in twee bijdragen, een van de vraagsteller en een van F.J.J. de Goojjer. Heel kort samengevat: geboren in Amsterdam in 1598, had o.a. een broer Jacob en een zuster Aerlant, was een vermogend man, kocht het Slot Ruysdael in 1631, en Schiermonnikoog in 1640, bezat suikerplantages in Brazilië, overleed in 1655, en zijn grafsteen is sinds een jaar of tien opgesteld in het portaal van de Nederlands Hervormde kerk te Blaricum. Voor nadere bijzonderheden: zie genoemde bijdragen.
Eerder had P.M. Vrijlandt in Tussen Vecht en Eem (jrg. 5, afl. 3, aug. 1975) al veel gegevens over o.a. Johan Stachouwer bijeen gebracht. En nog eerder C.A. van Woelderen in De Nederlandsche Leeuw, XXXII, 1914. De laatste twee onderzoekers noemen geen van beiden zuster Aerlant of Aalandia. Die zal vernoemd zijn naar haar grootmoeder van moederszijde, Aerlant Pauw (zie Van Woelderen)
Aelant Stachouwer trouwde met de baljuw van Loosdrecht, Mijnden en Teckop, Adriaan Bodecherus. Haar zwager, Johannes Bodecherus, was profesor in Leiden en publiceerde ook gedichten, Nederlandse en Latijnse. een van die laatste was gericht aan zijn broer, de baljuw, en bevatte onder meer de passage (in vertaling); "Laat je leven blij vervlieten met je echtgenote uit de familie Stachouwer: het platteland zal geven wat met muren omsloten steden niet kunnen geven; de landelijke eenvoud kent geen ijverzucht" (vertaling Ben Wolken)
Als dat waar is, moet ieder zich hebben verheugd, toe "de E. juffrouw aarlandia stachouwers, jegenwoordige huysvrouw van de heer Bailljuw adriaen bodecher, seecker huys ende hoffstede ende alle betimmeringh daer op staande, streckende van den dijck af tot het weijlant toe, met het hoffken daer teijnde aan gelegen, eertijts gecoemen van aert spijckers, soo groot ende kleijn, met dijck op ende uijtwege" kocht van Gerret Jans. Rademaekers uit Huizen. Dat was in 1648.
Maar waarschijnlijk was dat niet het geval, dat met die ijverzuchtloze-landelijke-eenvoud en alom gedeelde vreugd-om-elkaars-welzijn-ten plattenlande. Die komen alleen in gedichten voor. Johan Stachouwer in ieder geval had andere ervaringen. Dat vertelt ons een brief van de baljuw van gooiland, P.C. Hooft, aan de advocaat-fiscaal van het Hof van Holland d.d. 8 april 1633: Het zal U, naar ik aanneem, wel ter ore gekomen zijn, hoe wat door Johan Stachouwer geplant of gekweekt was op de grond van de grafelijkheid, waarvoor de Edelmogende Heren van de Rekening aan hem te Blaricum concessie hadden gegeven om die te ontginnen, door onbekenden op een nacht omver is gegooid en uit de grond getrokken." Een vroegere buurmeester van Blaricum, Cornelis Wouterszoon, zou aangezet hebben tot het begaan van deze geweldpleging. De parallel met de problemen in 's-Graveland in diezelfde jaren springt in het oog, en wordt door Hooft ook genoemd in zijn brief, die verder vraagt de daders 'voorbeeldig" te straffen.
Ging het hier om "onbekenden" die de idylle verstoorden, enige jaren later, in juli 1641, is het in het Gooi slaande ruzie in de familie. Op de vijftiende van die maand schrijft het Hof van Holland aan de baljuw van gooiland, Hooft dus, dat Adriaan Bodecher, baljuw van loosdrecht, en Gerrit Jacobsen Both, wonende in Den Haag, bij het hof geklaagd hebben "over t' groot gewelt, ende outrage (= grove belediging) die hun zijn aangedaan door Johan Stachouwer, zwager van de voornoemde baljuw, en door drie van zijn dienaars. Bijgaand ontvangt Hooft alle ter zake dienende informatie en hij krijgt opdracht de zaak uit te zoeken en de schuldige te doen bestraffen. Wat de oorzaak is van de familietwist weet ik niet. Misschien hangt die wel samen met een "Deductie" van een onbekende datum van Johan Stachouwer aan het Hof van Holland tegen Adriaan Bodecher en Aerlant Stachouwer, echtelieden over het huis Ruysdael.
Het is niet onmogelijk, dat bestudering van de stukken met betrekking tot de twee laatste gevallen wat meer licht brengt in de geschiedenis van Ruysdael, en wat meer profilering mogelijk maakt van de tot nu toe wat schimmig gebleven Johan Stachouwer. Maar dat laat ik graag aan Blaricummers over.
Bronnen:
De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft, ed. H.W. van Tricht, deel II, nr. 570; deel III, nr. 1076 en 1102. Culenborg, 1977/1979
W.J. Formsma, Archieven Heren van Schiermonnikoog (Monumenta Frisica nr.3), inv. nrs. 204 (Deductie) en 205 (acte van overdracht). De stukken zelf zijn in het R.A. Friesland te Leeuwarden.
________________________________________________________________________
Tot zo ver reactie van lezers
____________________________________________________
F.J.J. de Gooijer
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/

Voor afbeeldingen en foto's, zie:
http://gooiland.vijftigplusser.nl/
___________________________________________________________________

Labels:


This page is powered by Blogger. Isn't yours?